SCHADE

De schade van de engerlingen is bij alle soorten gelijk. De vraat aan de wortels van het gewas heet primaire schade. Wanneer predatoren zoals kraaien, eksters, egels, vossen, dassen en wilde zwijnen op zoek gaan naar de engerlingen en daarbij de graszode vernielen, wordt dat secundaire schade genoemd.
Rozekevers tasten, behalve de graswortels, soms de planten aan die in borders langs het gazon staan. De junikever vreet uitsluitend van graswortels. Meikevers zijn polyfaag: behalve aan graswortels vreten ze ook aan de wortels van een groot aantal planten met een zekere voorliefde voor boomkwekerijgewassen. Een beukenhaag kan ernstige schade ondervinden door de vraat van engerlingen van meikevers. De volwassen meikevers kunnen tijdens hun rijpingsvraat de periferie van de bomen kaal vreten. Van de andere genoemde soorten is minder bekend over de voorliefde voor een bepaald gewas, maar ze vreten allen van de wortels van gras. De engerlingen van de Aphodiussoorten leven primair op dood organisch materiaal. De schade die ontstaat door Aphodius is steeds secundaire schade.
Op grasland en gazons bestaat de schade uit het afvreten van de wortels waardoor verdroging ontstaat. Bij andere planten kan het wortelstelsel zo sterk worden aangevreten dat de plant dood gaat. De kleinere wortels van bomen en struiken worden geheel afgevreten, terwijl de dikkere wortels van hun bast ontdaan worden zodat de plant sterft door verdroging.

schade1.jpg (5530 bytes)         schade2.jpg (6516 bytes)

Copyright Insect Consultancy 2011